Timon de Groot bepleit een gepaste viering van 125 jaar sociale zekerheid (5/6). Dat doe je niet, stelt hij, door het accentueren van haar fraudegevoeligheid of onbetaalbaarheid, maar door te vieren dat de sociale zekerheid financieel er zelden zo goed heeft voorgestaan.
De sociale zekerheid staat er alleen helemaal niet goed voor. Haar oriëntatie en architectuur zijn voornamelijk erop gericht om de gevolgen van werkloosheid te verzachten. In zekere zin hebben wij diegenen, die langs de kant van de arbeidsmarkt kwamen te staan, afgekocht met zo fatsoenlijk mogelijke uitkeringen. Veel aandrang om terug te keren naar de arbeidsmarkt of langer door te werken werd niet uitgeoefend.
De overheersende onderliggende aanname van dit beleid – een steeds groeiende beroepsbevolking met de angst voor een toenemende werkloosheid – gaat evenwel niet meer op. Inmiddels is het tegendeel het geval. Er zijn inmiddels te weinig werkenden voor alle vraag naar arbeid. De omslag komt door de demografische ontwikkeling: onze beroepsbevolking krimpt. Pogingen om dat te compenseren met arbeidsmigratie staan terecht onder kritiek, zeker waar het laagproductieve arbeid betreft.
Het effect van deze omslag is dat er bijna evenveel openstaande vacatures zijn als dat er werklozen zijn. Binnen bedrijfstakken zijn nu grote tekorten. Toch volharden we hardnekkig in het voeren van een beleid, waarin oude reflexen volop zichtbaar blijven. Steeds opnieuw wordt arbeid extra belast en worden inkomenstoeslagen, die werken ontmoedigen, elke keer weer opnieuw uitgebreid. En volharden we in een ‘afkoopsolidariteit’. Deze sociale zekerheid is inmiddels op onderdelen van museale kwaliteit.






