Dit weekend ging ik even langs bij een vriendin die alleen nog maar over haar elf maanden oude zoontje praat. Wanneer anderen dat doen heeft dat op mij de werking van een slaappil, maar doordat deze vriendin ontwikkelingspsycholoog is, vormt ieder bezoek aan haar en baby Rudolf een razend interessant hoorcollege. Zelfs toen Rudolf tijdens een onbewaakt moment uit de kattenbak begon te eten en K. druk bezig was om de kattenkorrels uit haar hevig stribbelende nazaat te schrapen, wist ze nog allerlei interessants te vertellen over zijn microbioom.

Ook het bezoek van afgelopen zaterdag was leerzaam, zij het om andere redenen dan normaal.

„Rudolf liep tot dusver een beetje voor op zijn leeftijdsgenoten”, begon K. terwijl ze me na binnenkomst de excelsheets liet zien, „maar er is iets veranderd. Kijk!”

Ze ging naast Rudolf op het speelkleedje zitten en toonde hem zijn lievelingsknuffel André (een avocado met voetjes). Vervolgens nam K. een doek en legde die over André heen. Rudolf vertrok geen spier en ging gewoon door met graaien in mijn handtas.

„En wat is hier nou bijzonder aan?” vroeg ik terwijl ik de kalmeringsmiddelen uit zijn vuistjes peuterde.