Het fiasco van het Frans-Duitse gevechtsvliegtuig, het Future Combat Air System (FCAS), was deze week nog maar net bekend of het regende al gitzwarte analyses. Het was een blamage voor de Europese soevereiniteit. Een deuk in de zogenoemde strategische autonomie. Europeanen waren weer te verdeeld om een gezamenlijke defensie op te tuigen.

Dat klopt allemaal. Maar juist doordat dit project is geklapt, is er ook een kans dat een meer Europese defensie nu wél van de grond komt.

FCAS, waaraan ook Spanje meedeed, liep voornamelijk vast om één reden: het Franse bedrijf Dassault Aviation trok de leiding naar zich toe en liet de Duitsers er amper bij. Dassault wilde het werk zelf doen, hield know-how voor zichzelf en weigerde intellectueel eigendom (IE) en patenten te delen met het Airbus Defence & Space. Puur industrieel nationalisme, dat uit de hand liep omdat er geen Europese regeling bestaat voor de werkverdeling bij zulke projecten en, minstens zo belangrijk, voor de verdeling van toekomstige (ook niet-militaire) opbrengsten van know-how en IE. En als er geen regeling is, gaat degene met de grootste spierballen er met de buit vandoor. Dat geldt voor banken, voor farmaceuten, voor elke sector. Het FCAS-debacle laat zien dat er nu Europese regels voor de defensie-industrie moeten komen.