Op een koude zaterdagochtend rennen zo ver het oog reikt kinderen achter een bal aan. Pittsgrove Township Soccer, een enorme vlakte in de westelijke uithoek van de Amerikaanse staat New Jersey, beslaat ruim twintig voetbalvelden. Jongetjes tussen pakweg zes en tien jaar oud die worden vanaf de zijlijn aangemoedigd door ouders op campingstoeltjes.
Het lijkt een perfecte voetbalochtend. Maar als Connor Robick (29) over de parkeerplaats loopt, schudt hij zijn hoofd. De directeur van voetbalclub Inter Philadelphia FC heeft zelf zo’n drie kwartier moeten rijden om zijn jeugdteams hier te zien voetballen – valt mee. Maar op de parkeerplaats ziet hij de auto’s van een team uit Connecticut. „Die ouders hebben een dag gereden zodat hun kinderen hier kunnen voetballen”, zegt hij. „De benzine, de hotels, het eten, een dag vrij moeten nemen om hierheen te rijden: it adds up, man.” Ouders zijn, weet hij, tijdens zo’n weekend zomaar ruim duizend dollar kwijt.
Het is illustratief voor het voetbal in de Verenigde Staten. De organisatie, voor wie de sport toegankelijk is en voor wie niet, hoe talent ontwikkeld wordt en de routes richting profvoetbal: het Amerikaanse voetbal verschilt drastisch van dat in elk ander land.













