In de vroege middag loopt boer Anthony Njenga zijn komkommerkassen in om te kijken hoe de planten erbij staan. Tussen de villa’s in Kikuyu, een verre buitenwijk van de Keniaanse hoofdstad Nairobi, heeft hij zeven grote kassen staan: houten constructies onder beige plastic zeilen. Njenga duwt de deur open. Binnen slingeren lange rijen komkommerplanten zich langs witte touwen omhoog.

De lucht is er warm en vochtig. Njenga wijst naar de lage planten tussen de komkommers. „Zie je die boontjes op de grond?” Zijn roodgeblokte overhemd steekt fel af tegen het groen in de kas. „Die zijn essentieel nu kunstmest duurder is geworden.”

De bonen voeden de bodem, waardoor hij minder kunstmest nodig heeft. Helemaal zonder kunstmest kan Njenga niet. Maar voor een commerciële teler als hij telt iedere zak minder. Zeker nu de prijzen van kunstmest, die buiten Kenia wordt gemaakt, zo sterk zijn gestegen.

Sinds de Amerikaans-Israëlische oorlog tegen Iran eind februari begon en dat land vervolgens de Straat van Hormuz blokkeerde, is de export van olie en aardgas uit de Golfregio sterk teruggevallen. Dat raakt ook de kunstmestmarkt; voor de productie van kunstmest – waarvoor aardgas een belangrijke grondstof is – is de Golf eveneens van groot belang. Kenia haalde er in 2024 ruim een kwart van zijn kunstmest vandaan – en ook het transport daarvan is stilgevallen. De blokkade dreef de prijs van kunstmest direct met 30 procent omhoog, volgens de Wereldbank.