De moderne wereld draait op data en statistiek. In AI-chatbots, om wetenschappelijke resultaten te toetsen, om fraude te voorspellen. Keiharde cijfers ogen neutraal, bieden houvast in de complexe wereld en maken patronen herkenbaar. Maar waardevrij wiskundig gereedschap zijn ze absoluut niet, ziet wetenschapshistoricus Iris Clever. „We plaatsen zo veel vertrouwen in algoritmes en data, zonder écht te begrijpen wat voor menselijke keuzes en vooroordelen ze bevatten.”
Neem Karl Pearson (1857-1936), één van de voorvaderen van de moderne statistiek. Zijn bekendste uitvinding is de correlatiecoëfficient, ook wel Pearson’s r, waarmee verbanden tussen verschillende variabelen worden getoetst. Wat Clevers studenten aan de universiteit van Chicago steevast verbaast: „Pearson was een rassenwetenschapper. Hij had een enorme schedelcollectie, zo’n zevenduizend stuks, uit allerlei hoeken van de wereld. Veelal in koloniale context verzameld. Zijn ultieme doel was om die met de nieuwste statistische methoden op ras in te delen. En die methoden gebruiken wetenschappers nog altijd.”
Clever raakte Pearson op het spoor door haar fascinatie voor de medische en culturele geschiedenis van het lichaam. Die bleek sterk verbonden met het kolonialisme, ontdekte ze tijdens haar master geschiedenis in Utrecht en haar promotie in Los Angeles. Zo leerde ze over de Niasmaskers, gipsen afdrukken van de gezichten van inwoners van het Indonesische eiland Nias. Die zijn gemaakt door Nederlandse wetenschappers op koloniale expeditie, een deel hangt nu in het Rijksmuseum. „Ze vormen een bizarre momentopname van hoe die koloniale wetenschap in zijn werk ging. Ik wilde daar dolgraag meer over weten.”







