Mensen die veel tijd doorbrengen op sociale media en geen andere bronnen raadplegen zijn vatbaarder voor misinformatie dan mensen met een gevarieerder ‘informatiedieet’. Maar het gebruik van sociale media leidt niet ‘vanzelf’ tot minder vertrouwen in de wetenschap.
Dat blijkt uit Wikken en weten, onderzoek van het Rathenau Instituut naar een verband tussen misinformatie, socialemediagebruik en vertrouwen in de wetenschap. Het Haagse onderzoeksinstituut deed een representatieve steekproef onder 8.437 Nederlanders en organiseerde zeven focusgroepen in Amsterdam en Enschede met in totaal 39 deelnemers, gevarieerd in leeftijd, geslacht en opleiding.
Een van de bevindingen luidt dat er geen directe relatie is tussen socialemediagebruik en vertrouwen in de wetenschap: het laatste stijgt of daalt niet af naarmate mensen meer tijd doorbrengen op sociale media. Belangrijker is of mensen een bepaalde grondhouding hebben en zich voor hun informatie over wetenschap alleen baseren op sociale media of ook andere bronnen gebruiken. Van invloed op die houding zijn factoren zoals leeftijd, opleiding, vriendenkring en eigen ervaringen zoals „contact in verband met hun gezondheid met artsen”.
Geloof in misinformatie (‘oneigenlijke claims’ die haaks staan op de wetenschappelijke consensus, zoals over de relatie tussen vaccins en autisme) stijgt wél naarmate mensen langer op sociale media zitten. Dat geldt vooral voor mensen boven de 45 jaar, praktisch opgeleiden, mensen die toch al een lage dunk van wetenschap hadden en mensen die zich vooral baseren op wat ze over wetenschap lezen op twee sociale podia, Facebook en X (voorheen Twitter). Ook uit Amerikaans onderzoek blijkt dat ouderen vatbaarder zijn voor wetenschappelijke misinformatie en die ook vaker delen. Een mogelijke verklaring is dat zij minder „digitaal geletterd” zijn en fake minder snel herkennen dan jongeren.







