Alle wegen leiden naar Frederiksoord. Althans: die indruk krijg ik als ik de keren tel dat ik in het Drentse dorp ben geweest. De eerste keer was ik op reportage in de Koloniën van Weldadigheid: de nederzettingen waar twee eeuwen terug arme stadsbewoners een lapje landbouwgrond konden krijgen. Daarna kwam ik er op fietsweekend met NRC, tijdens een familieweekend, op weg naar een cursus diersporen herkennen in het nabijgelegen Wilhelminaoord (ook zo’n voormalige Kolonie) én voor een interview met Gert Jan Beute, internationaal befaamd duivenmelker. Niet gek voor een dorp met nog geen 300 inwoners.
Nu passeerde ik Frederiksoord met een studievriend op doorreis naar Noordwolde, zes kilometer verderop, in Friesland. Ruim tien keer zoveel inwoners, maar ik was er nog nooit geweest. Als twintigers waren we een zoektocht begonnen naar het meest miskende museum van Nederland; een traditie die ons al langs het Weegschaalmuseum in Naarden en het Flessenscheepjesmuseum in Enkhuizen had gebracht. Ons huidige doel was het jubilerende Nationaal Vlechtmuseum, dat net het vijfentwintigjarig bestaan had gevierd met een bezoek van prinses Beatrix.
In ‘rotandorp’ Noordwolde was negentig jaar geleden haar wieg gevlochten. Van pitriet: het buigzame, binnenste deel van de rotanpalm Calamus rotang. Een wieg op wieltjes, die rond de puberteit van Beatrix uit het paleis verdwenen was – niemand wist meer waarheen. Omwille van het jubileum vlocht het Vlechtmuseum een replica. Omroep Fryslân maakte een reportage, andere regionale omroepen namen het item over, en uiteindelijk ging bij een inwoner van het Zeeuwse dorpje Sirjansland een belletje rinkelen: dat was de wieg waarin híj als baby had gelegen, in 1953! Kort na de Watersnoodramp had de koninklijke familie enkele wiegen naar het rampgebied gestuurd – onder andere die van de kroonprinses. Dat origineel staat inmiddels ook in Noordwolde. Misschien leiden niet álle wegen naar Frederiksoord, maar op z’n minst naar dorpen eromheen.










