Een beetje een cliché is het wel, dat van de nuchtere Nederlander die wars is van grote woorden. Toch schrikt de Rotterdamse filosoof Ronald van Raak, in een vroeger leven een van de intellectuele zwaargewichten van de Socialistische Partij, er niet voor terug zijn inleiding in de geschiedenis van de filosofie in Nederland de titel Geen land van grote woorden mee te geven. Had de uit nazi-Duitsland gevluchte filosoof Helmuth Plessner in zijn afscheidsrede in 1952 tenslotte niet bewonderend geschreven: ‘Waar ter wereld laat een volk zich moeilijker door grote woorden en ideologieën het hoofd op hol brengen dan in Nederland?’

Wie dit boek leest, raakt daar bijna van overtuigd. Systeembouwers zijn Nederlandse filosofen nooit geweest, stelt van Raak vast. Grootse wereldontwerpen zijn hier altijd met de nodige scepsis ontvangen. Spinoza vond pas een publiek toen zijn als een wiskundig stelsel opgebouwde denken aan het eind van de 19-de eeuw literair was omgevormd tot een levensleer die zelfs socialisten kon inspireren.

Praktische toepasbaarheid op het alledaagse bestaan heeft in de filosofische belangstelling in Nederland veelal de boventoon gevoerd, aldus Van Raak. Ook voor Erasmus was filosofie in de eerste plaats een praktijk. En wie de huidige populariteit van de wijsbegeerte bekijkt, ziet dat het daarin nog steeds vooral draait om de vraag wat je met al die diepe gedachten in het alledaagse leven kunt aanvangen.