Zoals een flamencodanseres haar waaier rondzwiert, een toreador zijn rode lap, een opgietmeester in de sauna zijn handdoek – zó kunstig en behendig hanteert ook entomoloog John Smit zijn fijnmazige insectennet. Aan zijn getrainde blik ontgaat niets dat vliegt tussen het fluitekruid van het Horsterwold. Een paar keer zwaaien, losjes uit de pols, en hij heeft beet. „Aardhommel.” „Kleine woudzwever.” „Fluitenkruidbij.”

Bij elke soort weet hij een interessant verhaal te vertellen – neem de echte wespvlieg, net als de woudzwever een zweefvlieg die een meester is in het ‘doen alsof’. Maar waar die laatste soort met zijn harige lijfje een kleine hommel nabootst, is de wespvlieg met zijn geel-zwart gestreepte lijf nauwelijks te onderscheiden van een échte wesp. „Zelfs zijn voorpoten zijn afwijkend, zwart en extra lang en plat en worden langs de kop gehouden, zodat het net antennes lijken.” Want daarin verschillen zweefvliegen van stekende insecten: ze hebben veel kleinere voelsprieten en geen angel. Hun voornaamste verdedigingsmechanisme is hun uiterlijk: een insect dat aan mimicry doet, en dus een gevaarlijke of giftige soort nabootst, wordt sneller gemeden door een hongerige vogel. Die heeft al doende allang geleerd dat alles wat geel-zwart is kan steken, of op z’n minst vies smaakt.