„Zie je hoe dik deze kabels zijn?” Jan-Jaap Aué, lector waterstoftoepassingen aan de Hanzehogeschool in Groningen, wijst naar het punt waar twee kabels een witte zeecontainer in gaan waar een elektrolyzer in zit, een kleine waterstoffabriek. „En zie je dat buisje van roestvast staal? Daar gaat de waterstof door weg. Die is bijna teleurstellend dun als je hem naast alle andere leidingen op ons terrein ziet.”
Het is inderdaad even zoeken, tussen de vrolijk gekleurde leidingen voor onder meer koud en warm water, stroom en ‘gewoon’ gas die energieproeftuin Entrance op de Zernikecampus in Groningen doorkruisen. „Maar die kabels en leidingen vertellen wel meteen een groot deel van het verhaal waarom waterstof zo handig is.”
Er zit heel veel energie in een klein beetje waterstof, wil Aué maar zeggen. Energie kan ook prima door bijvoorbeeld elektriciteitskabels lopen, maar grootverbruikers hebben dan vreselijk dikke kabels nodig. Alles elektrificeren is onhaalbaar in Nederland, dat nu al tegen de grenzen van de elektriciteitsinfrastructuur aanloopt.
Nee, dan waterstof, het duizenddingendoekje van de CO2-vrije wereld. In de vorm van waterstof is energie niet alleen handig te transporteren, waterstof is ook langdurig op te slaan, het kan in de industrie aardgas vervangen als zowel brandstof als grondstof en het is nodig om windparken op zee rendabel te krijgen – tijdens winderige periodes met overproductie kunnen de megaturbines doordraaien om waterstof te maken, anders zouden ze regelmatig moeten stilstaan.









