Alle kinderen zouden samen naar school moeten kunnen, in de buurt van hun huis, ongeacht of ze extra zorg of ondersteuning nodig hebben. Dat is het ideaal waar Nederland zich de afgelopen decennia, met de ondertekening van een aantal internationale verdragen, aan gecommitteerd heeft. Alle Nederlandse scholen zouden in 2035 die overgang gemaakt moeten hebben.

Maar op de werkvloer stuit dat op scepsis: ruim de helft van de leerkrachten staat negatief tegenover inclusief onderwijs. Een kwart heeft geen uitgesproken mening; nog geen 20 procent is positief. Sterker, bijna 70 procent vindt dat méér leerlingen terecht moeten kunnen in het speciaal onderwijs.

Dit alles blijkt uit een enquête onder ruim 6.600 leraren en 2.400 anderen in het onderwijs, zoals klassenassistenten, zorgcoördinatoren en schoolleiders. De peiling, verspreid door de bonden AOb, CNV en FvOv, wordt deze week aangeboden aan de Tweede Kamer. De onderwijsbonden willen zo aandacht vragen voor het perspectief van het onderwijspersoneel, dat volgens hen onvoldoende wordt meegewogen.

Een label is vaak de enige manier geworden om nog ondersteuning te krijgen

Leerlingen die gespecialiseerde zorg of ondersteuning nodig hebben, bijvoorbeeld omdat ze slechthorend zijn, een verstandelijke beperking hebben of autisme, kunnen nu nog naar aparte scholen. In het speciaal basisonderwijs (sbo) zitten ruim 38.000 leerlingen, naar het speciaal onderwijs (so) en het voortgezet speciaal onderwijs (vso) gaan in totaal 75.000 leerlingen.