Aan het eindeloze debat over het belasten van vermogens in Nederland wordt deze week een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Ruim vier jaar na het roemruchte Kerstarrest, waarin de Hoge Raad een streep zette door de manier waarop vermogens in Nederland belast werden, is het nu aan de Eerste Kamer om zich te buigen over de toekomst van de vermogensbelasting in box 3. Deze dinsdag beginnen de senatoren met een urenlange ‘deskundigenbijeenkomst’ over de Wet Werkelijk Rendement Box 3, die in 2028 moet ingaan. De belangrijkste vraag die voorligt: welk systeem van vermogens belasten is economisch gezien het beste: een vermogenswinstbelasting of een vermogensaanwasbelasting?
Die vraag werd op scherp gezet nadat de Tweede Kamer in februari al akkoord was gegaan met de wet. In die nieuwe wet vormt de vermogensaanwasbelasting de basis: huishoudens met vermogen in box 3 (aandelen, spaargeld, andere beleggingen) worden in principe geacht elk jaar belasting te betalen over de groei van dat vermogen. Vastgoed en aandelen in start-ups zijn daarvan uitgezonderd: voor die categorieën geldt een vermogenswinstbelasting, waarbij de waardestijgingen pas worden belast in het jaar waarop zij worden gerealiseerd (de facto: bij de verkoop van die beleggingen).









