In Nederland vliegen haviken, valkjes, sperwers, kiekendieven en wouwen. Voor het ongetrainde oog zijn ze lastig uit elkaar te houden, zeker in vlucht, zeker vanuit een rijdende auto. Maar, leerde ik ooit van een fervent vogelaar: als je een roofvogel langs de snelweg spot, roep dan vol zelfvertrouwen: ”Kijk, een buizerd” – dan heb je 99 van de 100 keer gelijk.

Hetzelfde kun je doen met nieuwe restaurants. Fiets je door de stad en zie je een nieuw tentje, roep dan vol zelfvertrouwen: ”Kijk, een bistro!” – kan niet missen. ‘Bistro’ betekende ooit ‘laagdrempelig, goed, betaalbaar Frans eten’, maar vooral dat laatste is door de populariteit allang geen garantie meer. Zo zat ik onlangs in zo’n etablissement op een poenerig pleintje in Amsterdam-Zuid (ik zal de naam niet noemen, maar het zit op de hoek van de Cornelis Schuyt en de Johannes Verhulststraat), naast drie paar opgespoten influencende tienerlippen, een natte ceasarsalad met drie flinters ansjovis, futloze kip en bruingerande romainesla te eten. Voor 24 euro.

Maar gelukkig is er Café La Tête – een fijn tentje in het Gelderse Lochem, met Jugendstil-stickers op de etalageramen, marmeren bar, kroonluchters, een tuinterras en een allerhartelijkst welkom van gastvrouw Margriet Smaal. In de keuken staat haar man Raymond Prinsen, een grote naam van weleer: hij kookte twaalf jaar lang een Michelinster in De Stenen Tafel in Borculo. Tot hij er in 2011 de brui aan gaf. De lol was ervan af, na zo veel jaren presteren op topniveau, zei hij in horecavakblad Misset. Dat plezier heeft hij vijftien jaar later overduidelijk helemaal teruggevonden.