Het duikt in alle necrologieën over Elco Brinkman op: zijn weigering in 1985 om als minister de P.C. Hooftprijs uit te reiken aan schrijver en columnist Hugo Brandt Corstius. Het was destijds een nieuwsfeit van de eerste orde. Progressief Nederland stond op zijn kop.

„Hoe verpolitiekt deze kwestie is blijkt ook uit de nieuwsmanipulaties van De Telegraaf”, schreef columnist Nico Scheepmaker, „de enige krant van enige omvang die het ministeriële besluit toejuichte.”

De beslissing van Brinkman werd ervaren als een oorlogsverklaring aan de literatuur. Brinkman had immers in zijn brief aan de jury van de P.C. Hooftprijs Brandt Corstius verweten dat hij „het kwetsen tot instrument heeft gemaakt”. Mij leek dat op zichzelf geen onjuiste constatering, want Brandt Corstius kwetste graag en vaak, maar de kwestie was of je dat een schrijver mocht verwijten.

Brandt Corstius schreef er in 1985 zelf over toen hij de Busken Huetprijs kreeg: „De oorlog tegen de literatuur heeft dus een meerderheid in het parlement. Ook in het land? Ik weet het niet. (…) In de afgelopen tien dagen heb ik welgeteld van vier personen bijval voor Brinkman mogen lezen. Dat waren Brands en Heldring in NRC Handelsblad. Rubinstein in Vrij Nederland en Kuiper in De Tijd.”