In de bezemkast onder de trap staat sinds kort een computer, tussen de schoonmaakspullen en oude poetsdoeken van kinderkleren die we zijn ontgroeid. De lamp werkt alleen door het peertje aan te draaien, als ik hem uren later uitdoe, brand ik mijn vingers eraan. Een klein bureautje, een bureaustoel, een veertienjarig meisjeslichaam past er met de deur dicht precies bij. Vastgeklemd tegen het bureau kan ik beginnen. Mijn grote teen drukt op de powerknop en het Windows-scherm verschijnt. Met de cursor klik ik mijn account aan met een icoontje van een zonnebloem. Ik verbind de camera met een kabeltje. Met een rietje blaas ik bellen in mijn limonadeglas en warm mijn voet aan de ventilator van de computer. Foto’s van gisteren laden op het scherm.
Mijn beste vriendin en ik staren de camera in met uitdrukkingsloze gezichten. We dragen een XXL-overhemd met een riem eromheen, hoge hakken, een strohoed gevonden op de vliering. Een koffertje ernaast moet de indruk van reislust wekken. Het was precies het plaatje dat we in het modetijdschrift Vogue van mijn zus hadden gezien.
Het organiseren van fotoshoots is een van onze hobby’s en we kiezen onze locaties zorgvuldig. Afgelopen week schoten we de foto’s op het pleintje achter, daarvoor in een weiland. Voor deze shoot schoven we de bank en lamp weg voor een egaal wit decor. Af en toe is mama op de achtergrond te zien met een wasmand.






