‘Ze waren 25 en 23 toen ze elkaar leerden kennen op een Westfriese kermis. Het was liefde op het eerste gezicht. Jaap was het anker waar Truus naar zocht en Truus bracht de vrolijkheid en swung die Jaap omarmde.

Ze groeiden beiden op in grote, katholieke gezinnen. Mijn vader als middelste van elf in een tuindersgezin in Zwaag, waar hard gewerkt werd en tijd was voor sport en spel. Hij bleek als tiener een talentvolle wielrenner en reed samen met een jonge Peter Post wielerkoersen. Na zijn diensttijd koos hij toch voor het slagersvak.

Mijn moeder was de jongste van tien. Haar vader, bollenboer in Grosthuizen, overleed toen ze achttien was. Haar moeder zette het bedrijf voort. Hoewel mijn moeder graag juf had willen worden, had ze al jong mentale problemen, waardoor het een opleiding tot coupeuse werd. Toen ze mijn vader leerde kennen werkte ze als cheffin bij V&D.

Op 19 mei 1963 verloofden ze zich. Het feest was in de bollenschuur. Twee jaar later trouwden ze. Met dank aan haar inkoopconnecties droeg mijn moeder een beeldschone trouwjurk met een sleep van Brussels kant. Daarvan maakte ze later een hemel voor de familiewieg en ons doopjurkje.

Op 24 augustus 1965 openden ze een eigen slagerij in Zwaag. Mijn vader was een echte vakman die veel producten zelf maakte.