Het terrein van tennisclub Het Amsterdamse Bos is leeg en verlaten, op maandagochtend 20 juli. Maar achter wat begroeiing, op het terras rond het clubhuis, veegt Jeroen Delmee met een stoffer glasscherven op een blik om die vervolgens in een container te gooien. Het tafereel duurt minutenlang – het terrein ligt bezaaid met splinters van kapotte wijn- en champagneflessen, na wat oogt als een uit de hand gelopen studentenfeest.

Het onderkomen van de tennisclub is de tijdelijke thuishaven van de Nederlandse hockeymannen. Het naastgelegen Wagenerstadion wordt verbouwd, in aanloop naar het WK. En dus moet Delmee het „effe opruimen”, zegt hij. „Anders loopt er straks misschien één speler op blote voeten en die stapt erin.”

Het voorval typeert de bondscoach „helemaal”, zegt Lars Balk een week later, als hij er bij een kop koffie over hoort. „Na trainingen loopt hij ook altijd met pionnen en ballenkoffers te sjouwen”, zegt de vice-aanvoerder van Oranje. Lachend: „De vieze hesjes neemt hij mee naar huis om te wassen.”

Vrijdagavond treffen de Nederlandse mannen Spanje in de halve finale van het WK, in het Wagenerstadion in Amstelveen. Onder leiding van Delmee won Oranje eerder drie keer de Pro League, het Europees kampioenschap (2023) en Olympisch goud (2024). Alleen de WK-titel ontbreekt nog. De laatste keer dat de hockeymannen wereldkampioen werden, was 28 jaar geleden, met Delmee als speler.