De zaak

Een man van Syrische afkomst met een niet-traditioneel Nederlands klinkende voor- en achternaam solliciteert in juli 2024 bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) naar de functie van Examinator B. In augustus wijst het CBR de sollicitant af en schrijft: „Na een zorgvuldige beoordeling van jouw sollicitatie hebben wij helaas besloten om je niet uit te nodigen. Helaas zien we in de motivatiebrief niet voldoende raakvlakken met de functie van Examinator.”

Kort daarna solliciteert de man opnieuw naar de functie van Examinator B. Hij gebruikt dezelfde motivatiebrief, maar onder de fictieve naam „Paul Westerkamp”. In het cv heeft hij de burgerlijke staat gewijzigd van „Jammer genoeg bezig met schijden” naar „getrouwd” en de talen Arabisch, Koerdisch, Perzisch en Turks verwijderd, net als de buitenlandse werkervaring. Het CBR nodigt hem nu wél uit voor een gesprek.

De sollicitant vindt dat het CBR hem heeft gediscrimineerd, maar het bureau ontkent dat. Onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal zou de reden zijn voor de afwijzing, plus het ontbreken van een voldoende overtuigende motivatie.

De man begint een procedure bij het College voor de Rechten van de Mens om een oordeel te krijgen of sprake is van discriminatie.