Al zolang ik me kan herinneren heb ik een zekere fascinatie voor het fenomeen van de kluizenaar. Als kind ontmoette ik ooit een echte. Hij leefde in een zelf uitgehakte mergelgrot in de buurt van Valkenburg aan de Geul. We stuitten op zijn woning tijdens een wandeling met de vogelvereniging van mijn dorp, waarvan ik het enige junior-lid was; ik moet een jaar of acht zijn geweest. Hij ontving het ongenode gezelschap relatief hartelijk, voor een kluizenaar. Ik weet nog dat hij vertelde over de redenen waarom het lastig was om eekhoorns te houden: „Ten eerste, je krijgt ze niet gevangen; ten tweede, ze bijten je kapot; ten derde, ze zitten vol met vlooien.” Niettemin bezat hij er twee.
Deze zomer las ik de bekende kluizenaarsbijbel Walden van de Amerikaanse schrijver Henry David Thoreau. In 1845 trok Thoreau de bossen van Massachusetts in. Naast het meertje Walden Pond bouwde hij een simpele hut en begon hij een teruggetrokken bestaan. Elke ochtend baadde hij in het meer. Om te kunnen eten verbouwde hij zijn eigen bonen. Soms zat hij van zonsopkomst tot zonsondergang in zijn deuropening naar de vogels te kijken. Als het regende luisterde hij naar het getik op zijn dak. Op een dag observeerde hij urenlang drie vechtende mieren, twee rode en een zwarte. De beschrijving van het gevecht in zijn boek telt vier pagina’s.







