Hij zou als de ‘kanalenkoning’ de geschiedenis ingaan, koning Willem I (1772-1843). Een van zijn speerpunten: het koninkrijk door aanleg van waterwegen opstoten in de vaart der volkeren. Om het zuiden en het noorden van zijn rijk beter met elkaar te verbinden, wierp hij zich op als voortrekker van de Willemsvaart, een ‘watersnelweg’ tussen Maastricht en Den Bosch.

Precies tweehonderd jaar geleden ging dat kanaal volledig open. De naam luidt al lange tijd Zuid-Willemsvaart, omdat Drenthe rond 1900 ook een Willemsvaart kreeg. De nieuwe zuidelijke waterweg moest de opkomende industrie in en rondom Luik verbinden met havens en handel in Noord-Nederland. Ook leger en landbouw zouden er voor hun transport van kunnen profiteren. Staats- en privébelang liepen daarbij door elkaar; Willem I had aandelen in de staalfabrieken van John Cockerill bij Luik.

Bij het tweede eeuwfeest is de vraag actueel welk belang de Zuid-Willemsvaart nu nog heeft in een wereld met treinen, vrachtwagens en vliegtuigen. NRC reist voor een antwoord daarop langs het kanaal, en doet verleden, heden en toekomst aan.

Schepen legden in de begintijd van het kanaal vaak het hele traject af, van Maastricht tot Den Bosch, en vice versa. „Dat komt nauwelijks meer voor”, constateert Nico Evens, regiocoördinator Zuidoost-Nederland van brancheorganisatie Koninklijke Binnenvaart Nederland. Schippers varen er nu meestal aan één kant in en komen er doorgaans weer aan diezelfde kant uit. Dat illustreert dat het kanaal als verkorte doorvaartroute ‘van Maas tot Maas’ heeft afgedaan; hun bestemming ligt nu juist áán het kanaal. ”De meeste lading gaat erin en eruit bij Den Bosch”, weet Evens.