Het is halverwege de ochtend als veerman Peter van Hoogstraten wijst naar een passagier. „Vraag Ronald maar om zijn verhaal.”
Sinds zes uur ’s ochtends heeft hij tussen Alphen (Gelderland) en Oijen (Noord-Brabant) al passagiers overgezet. Zijn veerpont, een van de vijf Maasveren tussen de A2 en de A50, is een soort varend dorpshuis. Slechts twee minuten duurt de vaart van oever tot oever, in de ochtendspits vaart de pont non-stop heen en weer. Kort, maar Van Hoogstraten kent zijn passagiers en zij hem.
De deurwaarder die elke dag van Maurik naar Oss gaat, de manager van een kinderopvang van Echteld naar Oss. De medewerker van een tandheelkundig laboratorium gaat, een grijs doosje met uitslagen in de passagiersstoel naast hem, juist de andere kant op, van Oss naar Tiel. Een HR-manager en HR-officer carpoolen die kant op. Talloze aannemers gaan heen en weer.
Op de snelweg, zeggen ze allemaal, staat het „altijd vast”. Bovendien is het „echt om”. Een collega van Van Hoogstraten heeft het eens uitgerekend: van veerstoep naar veerstoep is 42 kilometer over de weg. „Het is echt veel sneller met de pont.”
Ook voor scholieren is de pont over de Maas belangrijk, de weg is voor hen geen optie. Foto Walter Herfst













