Je hoeft niet over superintelligentie te beschikken, zou je zeggen, om te begrijpen dat Mark Zuckerberg niet de ideale figuur is om de mensheid enthousiast te maken voor AI. Om de haverklap moet Meta, het bedrijf dat hij heeft opgericht en grootgemaakt, zich voor de rechter verantwoorden voor de mentale schade die het bij jongeren teweegbrengt met Facebook en Instagram. De belofte dat deze ‘sociale media’ zouden leiden tot meer verbinding tussen mensen over de hele wereld, wordt steeds meer overschaduwd door de ellende die de apps aanrichten en faciliteren: van inbreuk op de privacy tot schermverslaving, haatberichten, nepnieuws, ophitserij en kindermisbruik.
Maar Zuckerberg is niet zo makkelijk uit het veld geslagen. Net als iedereen heeft hij gezien dat de publieke weerzin tegen AI groeit. Mensen klagen over de bouw van datacenters en de hoeveelheden stroom en water die ze verbruiken. Ze vrezen dat AI hun banen op de tocht zet, of ze zijn op z’n minst onzeker over wat voor risico’s de opmars van steeds geavanceerdere kunstmatige intelligentie, ofwel superintelligentie, met zich meebrengt.
Tijd voor een optimistisch tegengeluid, zal de Meta-topman hebben gedacht. Want laat AI nou net de technologie zijn waar Meta en de andere grote techbedrijven al hun geld, denkkracht en ambitie op inzetten.








