Enzo Partinico (62) zal zich de nacht dat hij 24 bootmigranten redde van de verdrinkingsdood levenslang herinneren. Tijdens een donkere juninacht in 2021, rond kwart voor vijf ’s ochtends, hoorde de Siciliaanse visser iets botsen tegen zijn sloep. Toen hij ging kijken, zag hij hoe enkele schipbreukelingen aan boord probeerden te komen. „Door het gitzwarte zeewater zag ik eerst alleen hun opengesperde ogen”, vertelt hij in een strandbar in de oude haven van Lampedusa. „Ik kreeg het gevoel dat ik in een film was beland. Ze staarden me aan met de blik van wie een seconde eerder nog de dood in de ogen keek.”
De drenkelingen waren Afrikaanse mannen tot halverwege de twintig. Sommigen lagen nog in het water, of steunden met hun voeten op hun lekke bootje. „Iedereen droeg een reddingsvest, maar zonder hulp hadden ze het nooit gered. Ik bevond me op 39 zeemijl afstand van de kust, verder dan ik mocht varen. Dichter bij het eiland zit niet meer genoeg vis.” Onderweg had Partinico helikopters en patrouilleboten opgemerkt. Om een boete te ontlopen was hij daarna wat van zijn route afgeweken, en kwam zo bij de migranten uit. „Wie weet dreef het lot me naar hen toe.”
Vissers gehoorzamen aan de wetten van de zee: ze redden wie er te redden valt, klinkt het eensgezind onder zeelieden op Lampedusa. Het piepkleine eilandje met azuurblauw zeewater tussen rotsformaties, slechts een stip op de kaart, ligt dichter bij de kust van Noord-Afrika dan bij Sicilië, het eiland waarbij het administratief is ingedeeld. Door die ligging staat Lampedusa al sinds de jaren negentig bekend als hét migratie-eiland van Europa. Vele honderdduizenden bootmigranten hebben via deze weg het Europese continent bereikt.






