NRC besteedde uitvoerig aandacht aan de claim van nazaten van aandeelhouders van de bank Lisser & Rosenkranz op de Koenigscollectie, die zich grotendeels in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen bevindt (15/7). In de artikelen blijft onderbelicht waarom deze claim als nagenoeg kansloos moet worden aangemerkt.
De Duitse zakenman en kunstverzamelaar Franz Koenigs had begin jaren dertig geld nodig en was daarom een grote lening aangegaan bij de bevriende bank Lisser & Rosenkranz. Als zekerheid voor deze lening diende zijn kunstcollectie, op dat moment in bruikleen bij het Museum Boijmans. Eind jaren dertig werd duidelijk dat Koenigs zijn schuld bij Lisser & Rosenkranz niet kon afbetalen.
Vanaf 1939 probeerde Koenigs zijn collectie te verkopen aan zakenman D.G. van Beuningen, donateur en latere (mede-)naamgever van Museum Boijmans. Dat diende een tweeledig doel. Ten eerste kon uit de opbrengst Koenigs’ schuld aan Lisser & Rosenkranz worden afgelost. Ten tweede zou Koenigs’ wens worden vervuld zijn collectie in een publiekscollectie bijeen te houden. Van Beuningen hapte niet meteen toe.
Dat veranderde op 2 april 1940 toen Lisser & Rosenkranz in liquidatie ging, waardoor de schuld van Koenigs aan de bank direct opeisbaar werd. Van Beuningen kwam nu wél in beweging.






