Oktober 1939. Aan een tafel in Rotterdam zitten mannen met geld en macht. Met namen – Van der Vorm, Van Beuningen – die synoniem zijn aan de culturele mogelijkheden in de stad. Het belangrijkste agendapunt: de zorgen over de Koenigs-collectie. Het kan toch niet zo zijn dat het museum, dat de aanwezigen hebben helpen vormgeven, deze uitzonderlijke collectie kwijtraakt?
Het gaat niet alleen om schilderijen van bijvoorbeeld Jheronimus Bosch en Peter Paul Rubens, vertelt de museumdirecteur. „Er is ook een unieke en prachtige collectie tekeningen van oude meesters.” Wat gaat er met die collectie gebeuren, vraagt een van de aanwezigen, wie gaat de miljoenen ophoesten als het erop aankomt? Volgens Van der Vorm is er interesse vanuit het buitenland. Kan de Nederlandse overheid niet bijspringen? Weer een ander mijmert over de vele tentoonstellingen die dankzij de collectie zijn georganiseerd.
Allen zijn het erover eens: er moet iets gebeuren en snel. De Koenigs-collectie mag niet uit het museum verdwijnen.
Grote bedragen en verlies zijn onlosmakelijk met de Koenigs-collectie verbonden. Nu, maar ook al in het najaar van 1939, tijdens deze eerste vergadering van Stichting Museum Boymans (toen nog met deze spelling), decennia voordat de nazaten van de Rotterdamse havenbaron Willem van der Vorm met Stichting Droom en Daad tientallen miljoenen over de stad zouden uitstrooien, voordat het museum ook de naam van Daniël George van Beuningen zou gaan dragen.







