De kerk van mijn jeugd wordt verbouwd. Er waren de laatste jaren steeds minder missen, de pastoor werd al uit Duitsland gehaald, en nu fuseert de hele parochie met de buurparochie. Een nachtclub of een trampolinepaleis wordt ons oud-parochianen bespaard; er komen appartementen in. Een in onbruik geraakt gebouw wordt dus eervol hergebruikt. Toch doet het me meer dan ik had verwacht.
Eva Rammeloo is journalist en groeide op in het katholieke Zuid-Limburg.
De bakstenen kolos met drie verstrengelde ronde vensters boven de ingang stond op een verhoogd pleintje, als centrum van de naoorlogse Christus Koning parochie in Geleen. Mooi was hij niet per se, maar het was wel ónze kerk. De plavuizen, de glanzend gelakte houten bankjes, de brede pilaren waar je tijdens de druk bezochte kerstmis niet achter wilde staan omdat je dan niet kon zien wat er op het altaar gebeurde. Dat was vroeger, toen de nachtmis nog een échte nachtmis was. Het was het hoogtepunt van het jaar, en de hele parochie liep ervoor uit. Om een plekje te krijgen in de banken moest je vroeg zijn.
En dan maar zingen. Alsmaar zingen. Luidkeels zingen.
De nachtmis zat vol met bekende kerstliedjes, veelal in Latijn. En in de anonimiteit van de massa ging ik helemaal los. De mis zelf ging grotendeels aan me voorbij, mijn blik gleed liever over de andere parochieleden. Eerst zocht ik op een van de voorste rijen de grijze hoofden van mijn opa en oma. Dan zocht ik naar klasgenoten, en omdat die soms niet boven de massa uitstaken zocht ik hun ouders, onze buren en onze leraren. Na de mis wensten we elkaar buiten op de stoep, in de kou en in onze beste kleren, onder euforisch klokgelui, een zalig kerstfeest.







