Hoe kan het dat meer dan zeventigduizend mensen vrijwel gelijktijdig besluiten om in het zeewater te springen en naar Europa te zwemmen, met gevaar voor eigen leven? Het gebeurde een ruime week geleden in Ceuta, een klein stuk Spanje in het puntje van Noord-Afrika. Duizenden mensen – vooral Marokkaanse jongeren en Afrikaanse migranten op doortocht in Marokko – besloten het erop te wagen. Ze werden nu niet tegengehouden aan de Marokkaanse grens, nabij Fnideq, en overrompelden met hun aantal de Spaanse bewakers.

Nu slapen duizenden mensen op rotsen, op schaduwrijke stukjes straat of in geïmproviseerde hutten in het bos rond het opvangcentrum in de exclave. Ze zijn uitgeput, hebben honger en dorst, en hopen op een wonder.

Door de bijzondere ligging van Ceuta wordt de exclave al jarenlang gezien als een toegangspoort tot Europa. Regelmatig proberen migranten het stadje – zwemmend – te bereiken. Maar na de horde van de zee volgt nog een tweede obstakel: de veerboot naar Spanje. Omdat Ceuta een speciale status kent binnen het Schengenverdrag, is een visum of Europees paspoort vereist om de overtocht naar het Spaanse vasteland van hemelsbreed zo’n 17 kilometer te maken.

In de uitgestorven vertrekhal van de haven van Ceuta ijsbeert een man – geel hemd, blauwe broek. Op het laatste moment, vlak voor het vertrek van de veerboot, wringt hij zijn handen tussen de schuifdeuren en duwt ze opzij. Een paar minuten lang lijkt de man de laatste horde succesvol te hebben genomen, totdat hij geflankeerd door drie bewakers weer de hal in wordt begeleid. Europa blijft voor hem buiten bereik.