„Wat je politieke voorkeuren ook zijn, als een EU-lidstaat het doelwit is van een migratie-aanval, dan moet het antwoord simpel zijn”, schreef Jonatan Vseviov, de hoogste ambtenaar op het ministerie van Buitenlandse Zaken van Estland, afgelopen weekend op X. „Naast de lidstaat gaan staan die het te verduren krijgt, helpen de orde te herstellen en Europa’s buitengrenzen verdedigen.”
„Onder externe druk”, vervolgde Vseviov, „staat ons maar één ding te doen: de rangen sluiten.”
De rangen sluiten? De meeste Europese leiders trokken zich daar de afgelopen dagen weinig van aan. Nadat op donderdag en vrijdag tienduizenden migranten de Spaanse exclave Ceuta binnenstroomden, waren veel regeringen er als de wiedeweerga bij om een schuldige aan te wijzen: de Spaanse premier Pedro Sánchez.
Italië gaf het startschot. Premier Giorgia Meloni deed een oproep om Spanje tijdelijk uit te sluiten van het vrije reisverkeer in de Schengenzone – wat niet zomaar kan – en kondigde vervolgens grenscontroles aan op verkeer uit het land. Volgens de Finse minister van Buitenlandse Zaken, Mari Rantanen, had Spanje „volledig gefaald” de Europese buitengrens te bewaken.
Zelfs Vseviovs eigen baas, de Estse premier Kristen Michal, mopperde tegenover Politico, het huismedium van de Brusselse politieke bubbel, dat Spanje zelf de „prikkels” had gecreëerd waarmee de migranten naar Europa waren gelokt.











