Hij kreeg vaak het etiket ‘redder van Hoogovens’ opgeplakt, maar Maarten van Veen moest daar zelf in een interview met NRC Handelsblad in 1998 bij zijn pensionering als bestuursvoorzitter van de staalproducent niet veel van hebben. Hij noemde het „overdreven” en vond dat hij vooral had voortgebouwd op het werk van zijn voorgangers.

Van Veen was wel de topman die een taboe bij de in 1918 opgerichte staalfabriek in IJmuiden doorbrak, door bij een saneringsoperatie ook werknemers gedwongen te ontslaan. Nadat hij in 1993 als topman was aangetreden, besloot hij 2300 banen te schrappen. Een groot deel vloeide af door vanaf 55-jarige leeftijd met vervroegd pensioen te gaan zoals bij eerdere reorganisaties, maar aan 400 gedwongen ontslagen kon Hoogovens dit keer niet ontkomen. Van Veen zorgde daarmee voor een schok binnen het bedrijf, dat lang bekendstond om zijn sociale gezicht door de staalarbeiders niet alleen goed te betalen, maar ook voor huizen en een bloeiend verenigingsleven te zorgen.

Toen Van Veen aan het roer kwam, verkeerde het bedrijf al vele jaren in zwaar weer. Een fusie met het Duitse staalconcern Hoesch was mislukt en in 1982 ontbonden. Hoogovens bleef met een zwakke financiële positie als zelfstandig bedrijf achter en had in een Europese staalcrisis moeite zich te herstellen. Er waren al meerdere reorganisatierondes geweest. Wel had het bedrijf 4 tot 5 miljard gulden geïnvesteerd in vernieuwingen van de hoogovens, de staalfabriek en de warmbandwalserij.