„Kunst is iets om te bevechten”, zei Alexander van Grevenstein in 2012 tegen NRC. „Een goed kunstwerk moet wrijving veroorzaken. Elke nieuwe kunstenaarsgeneratie moet vechten – en als directeur moet ik meevechten. Anders ben ik als bemiddelaar geen knip voor de neus waard. Vergelijk het met verliefd worden. Verliefdheid is onvoorwaardelijk.”
Zijn liefde vond Van Grevenstein in de Belgische Anne Kruse met wie hij een halve eeuw geleden trouwde en met wie hij een zoon en een dochter kreeg. Zij zou naam maken als restaurator van schilderijen en monumenten als Paleis Huis Ten Bosch en het Rijksmuseum. Hij begon zijn gevecht voor de kunst in 1976, het jaar van zijn huwelijk, als adjunct-conservator moderne kunst in het Bonnefantenmuseum in Maastricht. De Hagenaar, opgegroeid en opgeleid in Brussel, barstte van de ambitie. In een provinciaal, misschien zelfs nog wel ietwat provinciaals museum, stond hij pal voor hedendaagse kunst, onder meer met een van de eerste Nederlandse tentoonstellingen van videowerken.
„Alexander vond dat een museum moest durven kiezen tussen de regio en de kunst”, vertelt oud-conservator Ton Quik, die bijna tegelijk met Van Grevenstein in het Bonnefantenmuseum begon. „Hij koos daarbij voor de kunst. Al ging het soms samen. Met een kunstenaar als Jan Dibbets, had je bijvoorbeeld iemand die wel uit de regio kwam, maar daarmee niet te koop liep en die internationaal opereerde.”






