De voordeur klemt met warm weer. De airfryer koelt pas af als je de stekker er helemaal uit trekt. De tv-kast blijft alleen openstaan als je iets in het scharnier frummelt. Geef de knop van het espressoapparaat eerst wat tikken (met je nagel of een theelepeltje). Grote boodschappen beter op de wc boven.
Als je je huis tijdens je vakantie aan vrienden of familie uitleent merk je pas wat er allemaal half kapot is. Overal lichten gênante post-its op, de verklikkers van je onvolkomenheid. Of van je vindingrijkheid, want ergens ben ik best trots op al die tie-wrap- en ducttape-oplossingen.
Je zou denken dat het een combinatie van luiheid en krenterigheid is die een meer solide aanpak in de weg staat, en dat is het natuurlijk óók, maar hier speelt ook wat psychologen het IKEA-effect noemen. Wat we zelf maken of monteren waarderen we sterker dan kant-en-klare producten. Zo ook die halfslachtige herstelpogingen: ze geven je een band met je meubels, voorwerpen en apparaten.
Ik weet niet of de EU dit houtje-touwtjedenken toejuicht. Vanaf eind juli gaat er nieuwe Europese wetgeving in: het recht op reparatie. In de strijd tegen de wegwerpeconomie moet (laten) repareren gemakkelijker worden. Maar hoewel zelf iets kunnen repareren het milieu dus spaart, lijkt de EU vooral te mikken op herwaardering van de specialist. Lidstaten moeten een hele reparatie-economie optuigen. Fabrikanten zijn verplicht reserveonderdelen op voorraad te houden en reparaties aan te bieden, en er komen onlineplatforms met lokale reparateurs.








