Fascinerende en tegelijkertijd verontrustende beelden doken op van Dustin Poirier, befaamd Amerikaans beoefenaar van de Mixed Martial Arts (MMA). Na ruim vijftien jaar professioneel kooivechten was hij gestopt met de sport, en sprak hij in een interview zijn angst uit over de toekomst: hij had geen idee wie hij was zónder de sport en hoe hij zich zou moeten handhaven in het gewone burgerleven, nu hij niet meer dag in dag uit obsessief bezig zou zijn met het verslaan van weer een nieuwe tegenstander.

Hij had gelijk, want op de beelden die de Amerikaanse politie niet lang daarna van hem maakte, zie je Poirier in verwarde, dronken toestand. Hij is van boord van een vliegtuig gehaald en zoekt ruzie met de agent die hem benadert, wil met hem op de vuist. Die heeft daar absoluut geen zin in, maar Poirier lijkt niet te weten hoe hij een conflict op moet lossen zonder te vechten. Voetballers maken zich nog wel eens zorgen om het zwarte gat na hun pensioen, maar voor ex-kooivechters is het nog wat ingewikkelder. Wat moet je met een vechtersbrein in een wereld waarin geweld taboe is?

De vechtsportwereld is een nog wat onderschatte, onderbelichte inspiratiebron voor schrijvers, zeker voor Nederlandse. Er bestaan wel canonieke verhalen over bijvoorbeeld boksen (van Rocky tot The Fight van Norman Mailer), maar MMA – een sport die de afgelopen vijftien jaar wereldwijd zienderogen aan populariteit won – liet men nog links liggen. Illustratief voor de desinteresse is de uitspraak van actrice Meryl Streep, die bij een prijsuitreiking sarcastisch opmerkte dat de Mixed Martial Arts „niks met de arts” te maken hebben. Dat dedain is niet zo slim. Aan genocides wagen schrijvers zich ook, en je hoeft niet zelf aan MMA te doen of er zelfs maar liefhebber van te zijn om geïnteresseerd te raken. Dit verschijnsel bevat veel dat de verbeelding prikkelt – zeker nu Donald Trump de sport is gaan inzetten voor politiek gewin (hij organiseerde een MMA-gala ín het Witte Huis).