Zodra je even niet keek had de stad een nieuwe versie van zichzelf neergezet, verzucht een van de personages in de nieuwe roman van Colson Whitehead, het slotdeel van zijn New Yorkse trilogie. In Cool machine (voor de Nederlandse uitgave bleef de titel onvertaald) bevinden we ons opnieuw bij meubelhandelaar Ray Carney, die af en toe bijbeunt als heler. De stad mag deze keer dan niet letterlijk in de fik staan, erg goed gaat het niet in het New York van de jaren tachtig. Met de tweede termijn van president Ronald Reagan viert de kapitalistische vastgoedmarkt hoogtij. „Meer kapitalisme graag. De stad verkrot, mijn heimelijk genot”, luidt een graffiti-kreet. De segregatie is door veryupping toegenomen, de groep mensen die het niet redden is groter geworden. „Voor New York Fuckin’ City”, geeft Whitehead de roman als motto mee.
Ray Carney is inmiddels een vijftiger die op het punt staat ‘meubelhandelaar van de maand’ van de Noordoostkust te worden. Sinds hij als meubelverkoper begon, heeft hij zijn zaak flink uitgebreid en alles opnieuw opgebouwd na een enorme brand. Hij is de eerste Afro-Amerikaan die deze ‘titel’ krijgt, in het maandblad van een meubelfabrikant. Heel even hoopt Carney zelfs dealer van het jaar te worden, maar een mens moet zich niet te veel illusies maken. Ondertussen hoopt hij op een lening van de bank voor het nieuwe reisbureau van zijn vrouw. Helaas, ‘meubelhandelaar van de maand’ of niet, banken geven geen leningen aan zwarte echtparen voor een nieuw bedrijf. Voor Carney zit er niets anders op dan twee keer een kraak te zetten. Eentje om een enorm bedrag binnen te halen, de ander om een misstand uit het verleden te herstellen.









