Mathieu van der Poel kon van vermoeidheid niet meer juichen; hij wist waarschijnlijk niet eens of hij wel als eerste over de eindstreep was gekomen. Maar naast hem wist ploeggenoot Jasper Philipsen precies wat er aan de hand was: met een hand in de lucht vierde de Belg een nieuwe heldendaad in de carrière van zijn Nederlandse kopman.

De slotetappe van de Tour de France, met de finish op de Champs-Élysèes in Parijs, had geen tien meter langer moeten zijn; dan was de ontsnapping mislukt waar Van der Poel en Tadej Pogacar, de geletruidrager die de ongegeneerde ambitie en ongelimiteerde aanvalslust van de Nederlander deelt, ruim tien kilometer daarvoor aan begonnen waren. Maar met een uiterste duw van zijn fiets naar voren wist Van der Poel de aanstormende sprinters achter hem te houden.

Ook na de finish wist Van der Poel van uitputting niet waar hij het zoeken moest; in een foetushouding lag hij tegen de dranghekken van het parcours aan, zijn teamgenoten in een jubelstemming om hem heen. Toen hij even later geïnterviewd werd, wist hij nog uit te brengen dat deze etappezege een diepgekoesterde droom was: „Er zijn een aantal races die ik graag nog zou willen winnen in mijn carrière en de slotetappe van de Tour was er een van.”