Sinds zijn aantreden gebruikt president Donald Trump importheffingen als een van zijn belangrijkste economische wapens. Vorig jaar verhoogde hij de tarieven van onder meer staal, aluminium, auto's en veel Chinese producten.
In april volgde een nieuwe stap: bijna alle goederen die de VS binnenkomen, kregen een importheffing van 10 procent, terwijl voor producten uit bepaalde landen juist hogere tarieven gingen gelden. Trump zegt dat hij zo de Amerikaanse industrie wil beschermen, productie terug naar de VS wil halen en het handelstekort wil terugdringen.
Maar het Amerikaanse rechtssysteem staat niet aan zijn kant. De regering had een groot deel van die importheffingen via een nationale noodwet ingevoerd, maar het hooggerechtshof oordeelde dat de president dat niet had mogen doen.
Om te voorkomen dat de tarieven zouden verdwijnen, voerde de regering snel opnieuw een algemene importheffing van 10 procent in via een andere handelswet. Die nieuwe heffingen mochten maximaal 150 dagen van kracht blijven. Tegelijkertijd zocht de regering naar een nieuwe manier om de heffingen permanent in stand te houden.
Die 150 dagen liepen in de nacht van donderdag op vrijdag af. Trump liet er geen gras over groeien: hij voerde direct nieuwe importheffingen in voor zestig handelspartners, waaronder de Europese Unie.














