De amfibieënetende schimmel Bd (voluit Batrachochytrium dendrobatidis) heeft tóch een zwakke plek. Al bijna dertig jaar worden kikkers en padden wereldwijd geteisterd door de schimmelziekte die hun huid aantast en uiteindelijk leidt tot de dood, met grote aantallen uitstervende soorten tot gevolg. Maar in Nature Chemical Biology beschrijven Britse, Spaanse en Franse biologen hoe vroedmeesterpadden in de Pyreneeën een besmetting met de ziekteverwekker kunnen overleven. Ze ontwikkelen al in het larvenstadium – als ‘paddenvisje’ – een antimicrobieel laagje op hun huid, dat ze vrijwel immuun maakt tegen de schimmel.

Vroedmeesterpadden danken hun naam aan de manier waarop ze hun snoer met eitjes met zich meedragen: na de paring wikkelt het mannetje het snoer om zijn achterpoten en draagt de eitjes mee op zijn rug totdat ze bijna uitkomen. Dan zet hij ze af in het water, waar de larven tevoorschijn kruipen. Op die manier is de overlevingskans voor jonge padjes extra groot – al is het na het verblijf op vaders veilige rug nog altijd een uitdaging om als larve uit de bek te blijven van een forel of een andere roofvis.

Voor Bd zijn ze op dat moment in ieder geval nog veilig. De schimmel leeft van keratine in de amfibieënhuid, net als de bij salamanders voorkomende variant Bsal. Bij larven is dat eiwit nog niet aanwezig; pas bij volwassen dieren slaat de ziekte genadeloos toe. Ténzij ze al een laagje beschermende peptiden met zich mee dragen. Die korte ketens van aminozuren – stukjes van eiwitten, in feite – hebben microbenwerende eigenschappen en bevinden zich in de slijmlaag op de amfibieënhuid. Maar die beschermende peptidenlaag is pas na verloop van tijd volledig ontwikkeld. Daarom is Bd juist nét na de metamorfose zo dodelijk: niet elke amfibie is dan al optimaal beschermd.