Op een modderig voetbalveld in de Oost-Congolese stad Beni wordt binnen één maand een nieuw behandelcentrum voor ebola uit de grond gestampt. Het is „ongelofelijk” hoe snel het gaat, vindt Marcella Kraaij, projectcoördinator voor Artsen zonder Grenzen (AzG). „Het is hard werken, ik heb geen idee meer welke dag het is”, vertelt ze via een korrelige videoverbinding op haar telefoon.

Het is negen uur ’s avonds, haar gezicht is verlicht door haar telefoonscherm. Achter haar lopen collega’s, ze zijn net als Kraaij al sinds zeven uur ’s ochtends aan het werk. Kraaij zit op het balkon in het hotel waar ze met het 35-koppige AzG-team twee maanden verblijft. Ze is sinds een week in Beni om de stad voor te bereiden op een toename van ebolabesmettingen door het oprukkende Bundibugyo-virus.

Kraaij en haar collega’s hebben net als artsen in behandelcentra in het noordelijke Bunia veel regels: eigen kamers, handen wassen en elkaar niet aanraken. Ook dragen ze beschermende pakken.Foto’s BENEDICTION MURHABAZI / AFP

Haar hotel is sober. „Vandaag was het enorm aan het regenen en was er weer een soort zwembad ontstaan in mijn kamer. We hebben ook niet echt douches, maar een emmer met een bakje. Maar goed, we hebben water, elektriciteit, internet en eten.”