Hulpverleners en ngo’s zetten zich schrap voor de uitdijende ebola-uitbraak die vanuit de Oost-Congolese provincie Ituri steeds verder om zich heen grijpt. Inmiddels is de epidemie ook naar buurland Oeganda overgeslagen. Het betreft een uitbraak van de Bundibugyo-variant, die via lichaamssappen als zweet, speeksel, bloed en sperma overdraagbaar is, en waartegen geen goedgekeurd vaccin of andere medicatie bestaat. Zo’n 25 tot 50 procent van de patiënten overlijdt, vaak door uitdroging.
Jean Kaseya, hoofd van de gezondheidsorganisatie van de Afrikaanse Unie, zei tegen de Franse krant Le Monde dat de eerste vermoedelijke besmetting teruggaat tot 24 april. Afgelopen week noemde de Wereldgezondheidsorganisatie de epidemie een ‘internationale noodsituatie’. Ze heeft bijna zeshonderd vermoedelijke besmettingen geïdentificeerd en meer dan 140 vermoedelijke sterfgevallen. De organisatie vreest dat de uitbraak veel groter is dan tot nu toe duidelijk is.
Djoen Besselink, operationeel manager bij hulporganisatie Artsen zonder Grenzen, was de afgelopen dagen in Congo. Toen hij zaterdag naar het Centraal-Afrikaanse land reisde maakte hij zich geen grote zorgen, want er vonden de afgelopen jaren meerdere ebola-uitbraken plaats in Congo. Maar toen hij zag waar het virus allemaal opdook, schrok hij. „Normaal gesproken kijk je het even aan, stuur je er een team naartoe, en probeer je het in toom te houden. Maar dit was in één keer overal.”













