Zes agenten staan in de slaapkamer. Buiten wachten er nog eens zes op de parkeerplaats. Ze zeggen dat J., een Afghaanse twintiger, een afspraak heeft bij de immigratiedienst.
Hij pakt zijn spullen. Eenmaal daar blijkt het geen gesprek te zijn. „Je gaat terug”, krijgt J. te horen.
Hij is verbaasd. Sinds de Taliban in 2021 weer aan de macht zijn in Afghanistan, zetten Europese landen geen Afghaanse asielzoekers meer uit. J. dacht daarom veilig te zijn in Zwitserland, waar hij als tiener naartoe vluchtte na de dood van zijn ouders in Afghanistan. Hij vroeg asiel aan, leerde Duits, kluste bij als timmerman en voetbalde bij een lager elftal van FC Basel. Acht jaar woonde hij er, zijn droom was om advocaat te worden.
Op het uitzetcentrum haalt de medewerkster volgens J. haar schouders op. „Het is een beslissing van hogerop.” De medewerkster legt hem uit dat de situatie is veranderd, na een dodelijke aanslag door een Afghaan. „Daardoor zijn alle Afghanen nu een probleem.”
J. wordt via Istanbul naar Kabul gevlogen. Daar wordt hij meegenomen voor ondervraging door mannen met lange baarden en tulbanden. Ze denken dat hij Turkije is uitgezet. „Wat kom je doen? En waar ga je heen?” vragen ze. J. zegt dat hij het zelf ook niet weet. Zodra hij wordt vrijgelaten, stuurt hij een WhatsApp-bericht naar een Zwitserse hulpverlener die hem begeleidde. „Ik ben aangekomen in de hel”, schrijft hij.






