Als thema voor zijn column in de conservatieve en katholieke online krant El Debate koos de Spaanse oud-premier Mariano Rajoy afgelopen vrijdag het WK voetbal, in aanloop naar de halve finale tussen Spanje en Frankrijk van dinsdag. De noorderburen beschikken volgens hem over „een team van uitzonderlijk niveau”. Maar, vervolgt de oud-premier, „dan wel zonder Fransen”.
Racisme in het voetbal komt voor in veel soorten en maten – denk aan oerwoudgeluiden, discriminerende opmerkingen in het veld en andere uitsluitingsmechanismen. Rajoy, premier van 2011 tot 2018, doet iets anders: hij betwijfelt of spelers met een migratieachtergrond überhaupt thuishoren in een Europees nationaal elftal. Met deze retoriek sluit hij aan bij een tendens onder radicaal-rechtse politici die vinden dat wettelijk burgerschap niet voldoende zou zijn om echt tot een land te behoren.
Sport speelt zich nu eenmaal „niet in een vacuüm” af, aldus Jacco van Sterkenburg, hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, die onderzoek doet naar discriminatie in de sport. Het maatschappelijk vertoog over migratie vindt ook een weg naar de stadions. Wanneer politici over remigratie spreken, of betwijfelen of een paspoort wel genoeg is om tot een land te behoren, dan zullen dat soort vragen ook over voetballers gesteld worden.










