Na twintig jaar was ik terug op Rock Werchter: een half leven geleden sinds ik had staan headbangen op Tool. Nu had ik zonnebrandcrème factor 50 en oordopjes in mijn tas en steunzolen in mijn gympen, maar bij Gorillaz-hit Clint Eastwood voelde ik me weer even leeftijdloos. Uitgelaten deinde ik mee met de massa: Now time for me is nothing ‘cause I’m countin’ no age (…) My future is comin’ on. Toen schoot het in mijn onderrug.

Een paar uur eerder had ik vooraan gestaan bij grungeband Dog Star. Niet omdat ik ook maar één nummer kende, maar omdat ik bij toeval had ontdekt dat de basgitarist niemand minder was dan Keanu take the red pill Reeves. Verwassen shirt, bezweet voorhoofd. De halve tent stond vol vrouwen van 40+. De zanger en de drummer deden hun best, maar pas bij de rifjes van Reeves klonk gejuich.

Keanu. Ruim een kwart eeuw na The Matrix weet ik nog altijd niet zeker hoe ik zijn naam moet uitspreken. Ik weet wél dat die naam op Hawaï ‘koele bries over de bergen’ betekent, dat hij in zijn jonge jaren een veelbelovend ijshockeytalent was en dat hij ooit, toen het vliegtuig waarin hij zat een noodlanding moest maken, een minibusje regelde en onderweg liedjes voor zijn medepassagiers zong. Dat laatste heb ik vermoedelijk gelezen in een artikel met de titel ‘De tien aardigste dingen die Keanu Reeves ooit heeft gedaan’, want daar staat internet vol mee. Keanu die een bruidspaar verrast, gewoon omdat ze in hetzelfde hotel slapen als hij. Keanu die daklozen mee uit eten neemt. Keanu die maniakale fans die zijn tuin zijn binnengedrongen op een biertje trakteert. Als Keanu niet beroemd was dan zou hij een onuitstaanbaar heilig boontje zijn. Maar Keanu is Keanu, en dus vergeven we hem z’n goedheid – en z’n basloopjes.