Quinn Simmons wil water, en snel. Al enige tijd zwaait de Amerikaanse renner, herkenbaar aan zijn lange rode haar en handlebar snor, in de kopgroep met zijn hand. De etappe is nog geen half uur onderweg, Simmons en zijn medevluchters rijden met 65 kilometer per uur over een smalle Franse D-weg.
„Snel, een bidon!”, roept Servais Knaven vanachter het stuur van de neutrale wagen. Zijn raampje gaat open, vanaf de achterbank overhandigt mecanicien Daan Adams een drinkbus.
„Can I have three waters?”, schreeuwt Simmons terwijl hij de bidon aanpakt. Hup, daar geeft Knaven er nog twee. Eentje gooit de renner meteen leeg over zijn hoofd, de andere twee stopt hij in de achterzak van zijn truitje. En weg is Simmons, terug naar de kop van de ontsnapping. Geen tijd om dankjewel te zeggen.
„Pfff”, zegt Knaven, „ze rijden volle bak jongens. En dat met veertig graden!”
De Tour de France is bezig aan een van zijn warmste weken ooit. Midden in een hittegolf doorkruist het peloton Zuid-Frankrijk, in westelijke richting. Dinsdag 7 juli, etappe vier van Carcassonne naar Foix, is de heetste dag van allemaal – met temperaturen van tegen de veertig graden. De enige remedie: heel veel drinken. Maar hoe voorzie je het Tourpeloton van voldoende water?











