Alireza Beiranvand groeide op in een afgelegen dorp in Iran, waar hij als kind samen met zijn vader schapen hoedde. Hij voetbalde in zijn vrije tijd, totdat hij zich op zijn twaalfde aansloot bij een lokale club. Hij begon als spits, maar belandde onder de lat toen de eerste doelman geblesseerd raakte. Hij bleek een natuurtalent. "Vanaf dat moment wist ik dat ik keeper wilde worden."
Zijn vader zag niets in een voetbalcarrière en wilde liever dat zijn zoon meewerkte om het gezin te onderhouden. Maar Beiranvand gaf zijn droom niet op. Met geleend geld stapte hij op de bus naar de Iraanse hoofdstad Teheran, vastbesloten om profvoetballer te worden. "Ik wist dat ik het moest proberen, want anders zou ik er spijt van krijgen."
De eerste periode in Teheran was loodzwaar. Beiranvand was dakloos, had nauwelijks geld en sliep maandenlang op straat of bij sportcomplexen, terwijl hij overdag probeerde een club te vinden waar hij kon meetrainen. Soms werd hij aangezien voor een bedelaar. "Toen ik wakker werd, lagen er munten naast me. Mensen dachten dat ik een bedelaar was. Maar daardoor had ik wel eindelijk weer geld voor een ontbijt."
Langzaam kreeg Beiranvand meer kansen. Zo mocht hij gratis meetrainen bij een lokale club. Via ploeggenoten vond hij werk in een fabriek en later bij een carwash. Daar ontmoette hij op een dag de legendarische Iraanse oud-spits Ali Daei. Zijn collega's spoorden hem aan om zijn verhaal te vertellen, maar Beiranvand durfde niet. "Ik wist dat hij me zou helpen, maar ik schaamde me te veel om op hem af te stappen."








