Begin 1966 had de Engelse voetbalbond FA de Jules Rimet-trofee, zoals de wereldbeker destijds heette, in ontvangst genomen. De prijs werd bewaard op het hoofdkantoor van de FA, maar werd in maart gestolen. Dat gebeurde tijdens een tentoonstelling van een postzegelbedrijf in Londen.

De trofee werd streng bewaakt door agenten en beveiligers, maar op 20 maart ontdekten zij vroeg in de middag dat de vitrinekast was opengebroken. De houten balk die de deur afsloot, lag op de grond en de wereldbeker was verdwenen. Niemand had iets verdachts gezien of gehoord.

Een dag later kreeg FA-voorzitter Joe Mears een anoniem telefoontje, waarin hem werd verteld dat hij een pakket zou ontvangen. De volgende dag ontving Mears een pakket met het bovenstuk van de trofee en een losgeldbrief. De afpersers wilden 150.000 pond voor de beker en dreigden die om te smelten als de politie zou worden ingeschakeld.

Mears liet zich niet afschrikken door het dreigement en schakelde de politie in. Die bedacht een valstrik met een koffer met neplosgeld. Rechercheur Charles Buggy, die zich voordeed als assistent van Mears, regelde een ontmoeting met een man die zichzelf Jackson noemde. Tijdens die ontmoeting merkte Jackson niet op dat het meeste geld in de koffer uit papier bestond.