Ik zit in een groepsapp die ‘kleinkindjes van opa’ heet – met, inderdaad, alle zestien kleinkinderen van mijn opa. Het is zo’n app waarin alles door elkaar loopt: van recepten tot politieke discussies tot advies voor de beste matcha. Elke keer dat ik de groepsapp open en mijn opa zie als profielfoto, zittend op een plastic witte stoel in Marokko, voel ik een steek in mijn hart. Niet alleen omdat hij er niet meer is, maar ook omdat ik me op die momenten realiseer hoe ver zijn wereld afstaat van mijn wereld.

En toch is het juist dat leven, zijn leven, dat de basis vormt voor het mijne. Wat voor mij normaal voelt, is niet vanzelf ontstaan, maar gevormd door een groter systeem. Dit grotere systeem wordt vaak abstract gemaakt, alsof het ergens boven ons hangt, ver weg van het dagelijks leven; een systeem waar je zelf in ieder geval geen invloed op hebt. We noemen het ‘politiek’, ‘beleid’ of bijvoorbeeld ‘Europa’.

Europa wordt gezien als een plek van gedeelde waarden en kansen, als een unie, of zelfs een eenheid – maar wie beter kijkt, ziet dat deze ‘gezamenlijkheid’ niet voor iedereen vanzelfsprekend is. Voor de een is Europa een belofte, voor de ander een systeem van grenzen en voorwaarden waarin je steeds opnieuw je plek moet bewijzen.