Trekvogels als de bonte vliegenvanger leggen jaarlijks duizenden kilometers af om te migreren tussen hun broedgebied en hun overwinteringsgebied – en vaak weer naar dezelfde plek. Maar hoe weten ze waar ze heen moeten? Is dat aangeboren of aangeleerd? Om dat te onderzoeken bedachten Groningse biologen samen met internationale collega’s een origineel (en arbeidsintensief) experiment: ze brachten eieren van Nederlandse bonte vliegenvangers naar Zweden en keken waar de vogels vervolgens naartoe vlogen. Spoiler: ze eindigden op een andere plek dan de andere populaties.

Bonte vliegenvangers (Ficedula hypoleuca) zijn zangvogels die niet alleen vliegen eten, maar ook andere insecten: muggen, vlinders, libellen, oorwurmen en sprinkhanen. Ze broeden in Noord- en Midden-Europa en het westelijk deel van Rusland, en overwinteren in het westen van Afrika. Na die tocht van duizenden kilometers (tot wel 12.700 kilometer voor de vogels die vanuit het Siberische Tomsk via Spanje naar het zuiden vliegen) zoeken ze hun eigen landgenoten op: de Nederlandse vogels vliegen naar een meer oostelijke locatie dan de Zweedse, en de Russische vliegenvangers verblijven nóg weer verder naar het oosten. Die ruimtelijke spreiding kan voordelig zijn als de vogels in het voorjaar weer terugvliegen: ze hoeven zich dan niet te hergroeperen en verliezen daardoor geen kostbare tijd. De Russische vogels vliegen het vroegste naar hun broedgebied; de westelijke Zweedse vliegenvangers zijn juist de hekkensluiters.