Jeanne Gootzen wilde woensdagmiddag de temperatuur in het centrum van haar „stadsie” gaan meten. Ze werkt aan het hitteplan voor Utrecht en wilde kijken „hoe de koele opvang in de Domkerk, in een buurthuis en in de bibliotheek verloopt”. Ze wilde ook door de wijk Kanaleneiland fietsen om te zien hoe mensen hun huizen beschermen tegen de hitte, en parkjes en speelveldjes bezoeken om te zien hoeveel zonnebrand er wordt gesmeerd. Daar wilde ze mensen vragen hoe ze de hitte ervaren, waar ze verkoeling zoeken en hoe het in hun woning is.
Het waren „een paar mooie uurtjes geweest om de straat op te gaan”, zegt Gootzen, coördinator Hittestress en Gezondheid bij de gemeente Utrecht, aan de telefoon. Maar woensdagmiddag wordt ze „te veel bevraagd door de gemeenteraad en journalisten” om haar tour volledig uit te kunnen voeren, lacht ze. Ze begrijpt het best. Feit is dat Nederland steeds meer periodes van extreme hitte heeft, zegt ze, en dan moet Gootzen aan het werk.
Het is een van de grootste gezondheidsrisico’s in Nederland. Voor meer hitteplannen moeten meer middelen beschikbaar worden gesteld
Een hittecoördinator heeft een sleutelrol in de lokale hitteplannen van gemeenten volgens de richtlijnen van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Met een lokaal hitteplan wil de rijksoverheid gemeenten aansporen om niet alleen het Nationale Hitteplan na te leven, maar ook op lokaal niveau een draaiboek te maken.














