Biodiversiteit blijft een lastig ding. Wij hier in Holland weten dat de biodiversiteit altijd omhoog moet, dat-ie om zo te zeggen nooit hoog genoeg kan zijn en dat daaraan ook hard gewerkt is. Er zijn buitenlandse bevers en otters aangetrokken, wilde paarden en grote grazers overgebracht, er is heide afgeplagd, duingebied schoongebulldozerd, er zijn eilanden opgespoten en noem maar op, maar als je dan op een goede dag wilt weten waar een hoge biodiversiteit eigenlijk goed voor is dan moet je dat in een boek opzoeken.
En dan lees je in dat boek (2005) dat nog lang niet vaststaat waar een hoge biodiversiteit goed voor is. Dat het niet eens meevalt biodiversiteit te méten – het is veel meer dan een soortenlijst – en dat de consensus eigenlijk niet verder gaat dan de aanname dat gebieden met een hoge biodiversiteit zich kenmerken door een hoge veerkracht en stabiliteit en daarnaast door allerlei florerende ecologische functies zoals daar zijn productiviteit, voedselopname en het vasthouden van water. Er wordt direct aan toegevoegd dat helaas niet helemaal duidelijk is wat met ‘stabiliteit’ wordt bedoeld en dat ecosystemen zóveel functies hebben dat er altijd wel een paar meebewegen met de biodiversiteit.














