Toen mensenrechtenadvocaat Bryan Stevenson in de jaren tachtig verhuisde naar Montgomery, Alabama, stond die stad vol met tientallen monumenten ter ere van de verliezers van de Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865). De strijd die zuidelijke staten, de Confederacy, hadden gestreden om slavernij in stand te houden, werd er gevierd als heldendaad. Op de plek „die leidend was in de slavernij, lynching en segregatie” ging het nergens over de slachtoffers: de tot slaaf gemaakten, de afgemaakten, de onderdrukten. Eén monument was er voor de burgerrechtenbeweging, die hier de busboycot (1955-1956) en de marsen vanuit het stadje Selma (1965) organiseerde.

Inmiddels staat de hoofdstad van Alabama vol met gedenktekens, monumenten, een museum en kunst die de gradaties van racisme, vernedering en vernietiging herdenken – én het verzet daartegen. Die kwamen er dankzij Stevenson, die nationaal bekend werd door zijn werk als advocaat van ter dood veroordeelden en opgesloten kinderen. In het museum van zijn organisatie Equal Justice Initiative (EJI) vertellen hologrammen van tot slaaf gemaakten vanuit een cel aan bezoekers hoe zij van hun kinderen zijn weggerukt om verhandeld te worden en praten hedendaagse gevangenen in video’s over hun omstandigheden.